VIERDE HOOFDSTUK

Het was het uur van de proef!
Er heerste merkbare spanning in de klas. Toen Jaap de vorige dag in het Plantsoen de vragen had voorgelezen, was er niemand geweest, die er zelfs ook maar even over dacht, dat de Ouwe mis schien nog van idee zou veranderen en geheel nieuwe vragen zou opgeven. Maar nu het uur van de proef gekomen was, waren en kelen ineens gaan twijfelen. Je kon het toch nooit weten! Ver beeld je, dat de Ouwe er iets van in de smiesen had gekregen, dat de boel verraden was.
„Zeg Jaap,” vroeg Bram Hoevers, die het meest in zijn rikketik zat, omdat hij enkel en alleen de vijf vragen had gevost en van de rest geen sikkepit wist, „heb je Rob, Koos en Carl gisteren nog gewaarschuwd?”
„Nee, nog niet! ’k Heb nog geen gelegenheid gehad!”
Jaap verzweeg, dat hij liever niet naar Rob’s huis toeging na de ondervinding op Rob’s kamer opgedaan. Hij vond het veel veiliger om na schooltijd als afgevaardigde van de hele klas, wanneer alle anderen d’er bij waren, tegen Rob op te treden.
„Dat is ook stom!” meende Bram, die al benauwder en benauw der werd, nu het ogenblik naderde.
„Als zij ons verraden hebben...”
Jaap voleindigde de zin niet eens, maar hij keek dreigend in de richting van Rob, Carl en Koos.
„Dan slaan wij ze tot mosterd!” vulde Jan aan.
„Verbeeld je, dat de Ouwe ’t in de gaten heeft!” zei Bram en hij begon in zijn zenuwachtigheid plotseling in zijn meetkunde boek te bladeren, alsof hij in die paar minuten alles er nog gauw wou inpompen.
„Als wij andere vragen krijgen, dan zak ik als ’n her!” en Walter Termytelen keek - in zijn angst bij die gedachten alleen - nog vlug even ’n paar formules door.
„Als de Ouwe ons dat lapt, dan ben ik naar de haaien,” ver kondigde Jan Kroon.
„En ik!” zuchtte Bram Hoevers.
„Dan kan ik alles blanco inleveren!” voorspelde Dolf Reevers, die precies wist, hoeveel hij waard was.
De onderstelling, dat de Ouwe misschien nog op het allerlaatste ogenblik andere vragen zou geven, bracht opschudding in de klas.
„Ken jij al die lamme formules?” vroeg Dolf benauwd aan Koert Warmond.
„Ik niet!” antwoordde Koert.
Koert had opeens vreselijk het land, dat hij voor de securiteit niet het hele boek gevost had.
En zoals Koert, dachten nu ineens bijna alle jongens van de klas.
De deur ging open en de rector trad binnen met papieren in zijn hand.
„Pff! Nou zal ’t wezen!” zuchtte Dolf Reevers benauwd en wiste zich met zijn zakdoek langs zijn voorhoofd.
Pim zat met een hoogrode kleur in zijn bank. Hij was dood zenuwachtig geworden, toen hij de andere jongens zo hoorde pra ten. Als zij andere vragen kregen, dan was het natuurlijk uitge komen! Verbeeld je, dat de Ouwe misschien de zakdoek had ge vonden en argwaan had gekregen. En Pim had niks meer gevost dan de eerste 40 bladzijden en de vijf vragen! Maar dat was het ergste niet. Als de Ouwe ging onderzoeken, dan...
„Schrijven jullie maar op!” klonk ineens de stem van de rector.
Er was een hoorbare stilte in het lokaal. Alle jongens keken naar de rector, alsof zij hem de woorden van de lippen wilden lezen.
„Zijn jullie klaar?”
Nu zou het gebeuren.
Vraag 1: „Noem en bewijs de projectiestelling, zowel voor een zijde tegenover een scherpe als tegenover een stompe hoek en laat zien”...
Zuchten van opluchting! Het was em, ja waratje, het was em! De jongens glunderden van plezier.
De rector dicteerde de vraag tot aan het slot toe.
„Dat valt blijkbaar nog al mee, hè?” zei de Ouwe, wie het niet ontging, dat de vraag algemeen in de smaak viel.
„Ja meneer!” klonk het van alle kanten.
Jaap keek even lachend om zich heen, alsof hij zeggen wilde: Wie had er gelijk? De pennen galoppeerden over het papier. De rector was een beetje verwonderd, dat de hele klas - zonder een enkele uitzondering - zo onmiddellijk aan de slag ging.
Dat was hij anders helemaal niet gewoon. Zelfs Dolf Reevers had er blijkbaar geen moeite mee!
Hij schreef met ’n vaart, alsof hij de klos van de tweede klas was. En Jan Kroon ook al! En Jaap! En Walter Termytelen! Alle zwakke broeders! Nee maar, nee maar. Op deze vraag hadden zij blijkbaar allen gerekend!
Alleen Rob Felten scheen er ’n beetje moeite mee te hebben. Rob was tenminste de enige, die naar het plafond zat te turen en op zijn pennehouder kauwde.
„Vind je ’t moeilijk, Rob?” vroeg de rector.
Alle jongens keken tegelijk naar Rob Felten.
„’n Beetje, meneer!” bekende Rob.
„Jij bent, geloof ik, de enige van de hele klas, jongen!”
„Wat wonder!” dacht Rob. Hij beet zich op zijn lippen om niets te laten merken, maar hij voelde, dat het bloed naar zijn wangen steeg.
„Nou, denk er maar eens kalm over na, dan komt het vanzelf!” sprak de rector bemoedigend.
Ja, dat was het nu juist. Denk nou maar eens kalm na, als alle anderen zo vlug zitten te schrijven. Het maakte hem zenuw achtig, omdat hij begreep, dat hij nu de enige was, die het maar zo, zo wist. En hij had er nog wel twee avonden en ’n hele vrije middag op zitten vossen.
Even keek Rob naar Pim. Pim zat met een hoogrode Meur geheel over zijn papier gebogen en schreef en schreef, dat de stuk ken er af vlogen.
„Stommeling van ’n vent ook, die Rob!” fluisterde Walter Ter mytelen zacht tegen zijn buurman Jaap, die er al even lustig op los pende.
„Z’n eigen domme schuld!” antwoordde Jaap.
„Als ie gewild had, dan had ie net als wij allemaal...
„Jaap Kroon!” klonk het plots streng. En toen wat zachter: „Niet praten!”
Ja, bij de Ouwe moest je oppassen! Hij zag alles.
Van spieken was bij de rector dan ook nooit sprake. Daarom was het zo fijn, dat ze juist de vragen van de meetkundeproef te pakken hadden gekregen, dacht Bram Hoevers.
Het kwartier was om.
„Tweede vraag!” riep de directeur. En daarop:
„Hoe bewijst ge”...
Waratje, hoor, ’t kwam weer precies uit! De jongens hadden moeite niet te glunderen van plezier!
’t Was maar niet reuzefijn van Jan en Jaap en Pim geweest. Dit hadden zij nooit geweten, als ze de vragen niet voor die tijd in handen hadden gekregen.
De rector was werkelijk verbaasd, toen de jongens ook op die tweede vraag aanvlogen als katten op ’n muis! Dat had hij hele maal niet gedacht. Want dit was werkelijk zo heel gemakkelijk niet. Kijk, kijk, ze zaten allemaal weer te pennen, alsof het geen moeite kostte!
Alleen Jaap Kroon zat met zijn ellebogen op de bank, het hoofd in zijn handen en staarde bedenkelijk in de lucht. Maar de rector wist niet, dat Jaap komedie speelde en maar deed, alsof hij het heel moeilijk vond. Want Jaap zat al klaar om aan de slag te gaan.
De rector zag Rob in zijn bank heen en weer schuiven. Die jongen had blijkbaar niet zijn gelukkigste dag! ’t Verwonderde de Ouwe.
Niet, dat Rob zo’n bolleboos was, allerminst, maar hij was toch veel beter dan Dolf Reevers, Jan Kroon, Walter Termytelen en Pim Termaten.
En kijk, die schreven allen, dat het ’n lieve lust was!
Hij was blijkbaar de enige, die er moeite mee had. En Koos Feder. Die zat ook te rijden.
De rector liep langzaam naar de bank van Rob toe.
„Lukt het niet erg, Rob?” vroeg hij goedig.
„Niet zo erg, meneer!”
„Kom, denk nou eens goed na! Kijk,” - en de Ouwe klopte Rob’s buurman op zijn schouder — Dolf heeft het al bijna klaar!”
„Wat wonder!” dacht Rob weer, maar hij liet niets merken.
Dolf had ’n hoofd als ’n boei gekregen, toen de Ouwe hem zo op de schouder had getikt en als voorbeeld van geleerdheid aan Rob had gesteld. Dat was hem in zijn hele leven nog nooit gebeurd.
Al zijn kameraadschappelijk gevoel kwam bij Dolf naar boven. Hij kon niet goed hebben, dat Rob zo zat te rijden en toen de Ouwe weer weg was, fluisterde hij achter zijn hand: „Zeg Rob, wil ik je helpen?”
Rob maakte een hevige strijd door. Hij was al zenuwachtiger en zenuwachtiger geworden. Ook Carl Heine had er blijkbaar geen moeite mee! Natuurlijk niet, dat was zo’n geheide klos! Rob was de enige met Koos Feder, die zat te rijden, dat begreep hij heel goed. Dan kreeg hij natuurlijk veel eerder onvoldoende en straalde hij vast en zeker. De hulp was zo dicht bij. Als Dolf hem ’n briefje toeschoof met het antwoord, dan was ie d’er, dan zou hij ook...
Opeens zag hij, hoe Jaap met spottend-lachende ogen naar hem keek. Tegelijk was Rob besloten.
Hij deed het niet, al zat hij ook nog zo in de rats. Dan maar onvoldoende!
„Nee, dank je!”
Dolf begreep er niets van. Vlug keek hij naar de rector en toen hij zag, dat die met zijn rug naar hem toestond, fluisterde hij nog eens:
„Vooruit, wees nou niet zo stom!” en tegelijk schoof hij hem ’n briefje toe.
Rob deed, alsof hij niets merkte.
„Toe dan, gauw!” drong Dolf aan.
Rob schudde zijn hoofd.
„Nee, ik vertik ’t!”
Stomverbaasd keek Dolf naar Rob. Toen zei hij: „Nou, verhip dan!” en trok het papiertje weer naar zich toe.
Bij de laatste vraag gebeurde er iets ongewoons. Drie en vier hadden geen zwarigheid opgeleverd. Rob had ze dadelijk geweten en zonder moeite had hij de antwoorden neergeschreven. Maar de laatste vraag bezorgde hem de stuipen op het lijf. Wat was dat voor ’n rare vraag? Hij snapte d’er niets van, absoluut niets!
Het zweet brak Rob aan alle kanten uit. Hij las de vraag wel tien maal over. Hij kwam er niets verder mee.
Rob knabbelde op zijn pennehouder, keek eens in de lucht, dan weer op de grond... het gaf allemaal niks. Dat zij nu ook juist zo’n beroerde, lamme vraag moesten krijgen. Als zij wat anders hadden gehad, zou het best gegaan zijn, zou hij wel ’n zesje in totaal hebben gehaald, maar met een vraag blanco kwam hij misschien niet eens tot ’n vier, laat staan voldoende.
Belabberd! Ellendig! Rob had wel kunnen huilen. Hij zag de klas rond. Ja, natuurlijk, alle jongens zaten te pennen. Het leek wel ’n klas van louter klossen. Hij keek eens naar Dolf.
Moest je hem zien pennen! Alsof hij nummer één van de klas was. Och, och, wat zou die gereden hebben, als zij de vragen niet hadden gehad.
Dan zou Dolf om de minuut hebben gefluisterd:
„Rob! Rob!”
Even keek hij op het papier van Dolf.
„Rob!” klonk het plotseling heel streng. En daarna: „Alleen werken, asjeblieft!”
Jan en Jaap keken lachend naar Rob om. Rob voelde, dat hij een kleur kreeg tot achter zijn oren. Nu zouden ze natuurlijk den ken, dat ie toch gespiekt had. Rob had gruwelijk het land. Als Jaap hem er straks mee „pestte”, dan zou Rob d’er op slaan en goed ook. Hij kon die valserik met z’n groot woord niet uitstaan.
Rob keek de klas nog eens rond. Allen zaten ze te pennen. Nee, toch niet allemaal.
Carl Heine zat ook met ’n benauwd gezicht in de lucht te turen. Zou Carl ook niet... dat zou toch wel ’n wonder wezen. Carl liet nooit ’n vraag zitten.
Meer nog dan Rob was de rector verbaasd over de loop van deze proef. Hij luid er vast op gerekend, dat bij de laatste vraag heel wal jongens zouden rijden, maar nee, het ging als van ’n leien dakje. De rector begreep er niets van. Ze moesten deze keer wel heel hard hebben gewerkt.
Toch vreemd! Zelfs Dolf en Jaap en Walter schenen er geen moeite mee te hebben. Maar als het voor de heren kwam, zou het natuurlijk wel tegenvallen. De rector stond op, keek eens over de schouder van Jaap op zijn papier.
Nee, waarachtig... ’t was zo! Daarna naar Dolf. Daar had hij ’t minst vertrouwen in.
Weer las hij... Er waren enige fouten in zijn werk, dat was waar, maar toch, het was lang niet slecht. Je kon merken, dat ie ditmaal goed had gestudeerd.
Toen kwam hij bij Carl Heine. Carl zat met ’n gezicht als ’n oorworm. Hij was purperrood en het was duidelijk te zien, dat hij op liet punt stond te gaan huilen.
De Ouwe begreep er niets van. Dat Rob zat te rijden, was nu juist zo’n wonder niet, maar Carl... Carl Heine! Anders verre weg de eerste van de klas. En dat, terwijl geen van de andere jongens er enige moeite mee had.
„Hoe is ’t, Carl, gaat het niet?” vroeg de rector.
Carl antwoordde niet, werd nu rood tot in zijn hals.
„Heb je dat misschien niet nagekeken?”
Weer geen antwoord!
„Je bent zowat de enige. Dat is de omgekeerde wereld vandaag!”
De Ouwe zei het zo zacht mogelijk.
Opeens barstte Carl in snikken uit. Alle jongens hielden op met werken, keken enigszins verschrikt naar Carl.
„Nou, nou... kom, jongen, zo erg is ’t toch niet! Dat ge beurt ’n ander ook wel eens!” troostte de rector. En daarop weer zachtjes:
„Hoe komt dat nou ineens zo, jongen?”
Carl snikte onbedaarlijk.
„Nou, nou... kom nou!” suste de rector.
Nog harder gesnik!
„Dat kan toch de beste gebeuren, jongen. Als je ander werk goed is, zal je heus door die ene vraag geen onvoldoende krijgen!”
Onvoldoende!... het klonk Carl, die aan achten en negens gewend was, als iets verschrikkelijks in de oren. Hij was totaal overstuur.
De andere jongens lachten.
„Nou, vooruit, ga dan maar eens even naar buiten! Dan zal je wel wat kalmeren!”
Carl schudde zenuwachtig van neen.
„Wil je het dan nog eens proberen?” vroeg de rector.
Carl knikte. Tranen gleden langs zijn wangen en op het papier.
„Nou, vooruit dan maar!”... en de rector liet Carl weer alleen.
Carl probeerde het nog eens, maar toen de bel luidde had hij precies 3 regels op het papier gezet. Het waren 3 regels meer dan Rob. Het leed geen twijfel meer voor Carl, dat hij voor die laatste vraag niet meer dan ’n twee zou krijgen.
Huilend als ’n klein jochie leverde Carl Heine zijn proefwerk in en verliet het lokaal.
De andere jongens rolden bijna over elkaar heen de trap af, louter van plezier. Zo’n proef hadden zij nog nooit gehad. Zij had den moeite zich in te houden, niet in gejuich uit te barsten. Prach tig was het allemaal gelopen. Precies de vragen, die Jaap hun gis teren had gegeven. Zoiets fijns hadden zij nog nooit meegemaakt. Geen enkele vraag onvoldoende en dat bij de Ouwe.
„Kinderachtige kerel, die Carl, om te gaan grienen, enkel omdat je ’n vraag eens niet weet!”
Dolf en Walter konden zich zoiets niet begrijpen. Als Dolf om zoiets ging huilen, zou hij wel dagwerk hebben.
„Je eigen stomme schuld!” snauwde Jaap Carl op de trap toe, „je had de vragen toch ook kunnen krijgen!”
„Natuurlijk, hij had ze niet nodig, hij is zo’n geheide klos!” treiterde Jan.
Rob liep zwijgend en alleen. Hij had geen lust Carl Heine te verdedigen. Dat moest Carl zelf maar doen. En trouwens, Rob vond het net als de andere jongens, bar kinderachtig om te gaan grienen als je ’n vraag niet weet. Misselijk gewoon. Nee, tranen zouden ze van hem niet te zien krijgen, nooit, al kreeg hij ’n drie!
„Zeg Jaap,” zei Bram Hoevers, toen zij voor de school stonden, „heb je ’t nou al gezegd?”
„Wat?” vroeg Jaap.
„Nou, aan Carl, Koos en Rob, van dat doodverklaren!”
„Nee! Gaan jullie dan mee!”
Jaap vond dat nodig; hij had graag steun van de anderen, als hij tegenover Rob stond.
Met hun allen gingen zij naar Rob, Carl en Koos toe.
„Zeg, wacht es even, jullie!” zei Jaap en zijn stem klonk bijna plechtig.
„Wat moet je?” vroeg Rob.
Carl zei niets, huilde nog steeds; Koos keek verwonderd.
„Ik moet jullie wat zeggen namens de hele klas!” zei Jaap weer.
„Ga je gang!”
Rob wachtte af.
Jaap schraapte zijn keel; toen zei hij: „Ik wou jullie alleen maar waarschuwen, dat jullie tegen niemand ’n woord er over kikt, dat wij de vragen wisten!”
„Anders niet!” zei Rob onverschillig.
„’t Is goed hoor!” antwoordde Koos.
Carl zei in het geheel niets.
„Vooruit nou, Jaap!”
„Van het doodverklaren!” drongen de anderen aan.
Rob en Koos waren in afwachting; Carl huilde nog maar altijd door.
„En dat wij allen gezworen hebben om hem, die het mocht wagen ons te verraden, dood te verklaren!”
„Voor eeuwig!” meende Jan er nog aan toe te moeten voegen.
Plechtig en dreigend hadden zij het gezegd, maar het maakte op Rob blijkbaar niet veel indruk.
„Is het anders niet?” vroeg hij.
Jaap was paf, wist niet zo gauw, wat hij moest antwoorden. Maar Jan zei hatelijk:
„Nee, maar je zult wel bemerken, wat dat betekent, als je ’t ooit in je hart krijgt ons te verraden!”
Rob haalde zijn schouders op en zei alleen maar:
Zoals de waard is, vertrouwt ie z’n gasten!”
Jaap was woedend. Hij kon Rob niet meer uitstaan, na alles wat er was gebeurd. Giftig snauwde hij:
„De vragen wou je niet hebben, maar je wou toch maar lekker spieken van Dolf, hè?”
En zich tot Pim en de anderen wendend, lachte hij triomfante lijk: „Die zit!”
„Die zit ook!”... en pats! Op hetzelfde ogenblik had Jaap al een vuistslag van Rob midden op zijn Enkeroog te pakken.
Eén ogenblik stond Jaap beduusd, maar toen vloog hij op Rob af en geen seconde later rolden Rob en Jaap samen als een kluwen over elkander in de modder op de grond.
Dadelijk weken alle jongens achteruit en in een grote kring stonden zij om de vechtenden gegroept. Een vechtpartij, dat was altijd een gebeurtenis.
„Toe dan, Jaap!”
„Vooruit, Jaap!”
„Sla d’r op, Jaap!”
Het was duidelijk, dat de sympathie van de meesten ditmaal was voor Jaap, die hun de vragen had bezorgd. Maar er waren toch ook enkele supporters voor Rob. Want Jaap Kroon had lang niet de sympathie van alle jongens uit de klas. En zij vonden het brani van Rob, dat hij de veel grotere Jaap zo maar ’n pats in zijn gezicht had durven geven. En al hoorde Rob het dan ook niet in zijn ijver om onder Jaap vandaan te komen, Koert Warmond en Dolf Reevers schreeuwden, dat het ’n lieve lust was:
„Laat je niet kennen, Rob!”
Rob lag onder. Als een triomphator zat Jaap op de borst van zijn tegenstander en hij was juist van plan hem de beledigingen van de laatste dagen eens goed in te peperen, toen ineens van alle kan ten de waarschuwing klonk:
„Pas op! Pas op! De Ouwe!”
Onmiddellijk sprong Jaap op. Rob, die zijn knie bij zijn val lelijk bezeerd had, had er meer moeite mee om weer op de been te komen.
De rector, de proefpapieren onder zijn rechterarm, stapte de kring binnen.
„Wat is dat hier?” vroeg hij streng.
„Niks, meneer!” antwoordde Jaap.
Rob ging nog wat verder en zei: „We waren aan het stoeien, meneer!”
De rector nam de twee jongens van boven tot onderen op; Jaap had een blauw oog, een schram op zijn wang, Rob een open knie, en beide jongens zaten stijf onder de modder.
„H’m, zo, noemen jullie dat stoeien?” was het streng. „Als ik jullie nog eens zo zie stoeien, dan ga ik mee stoeien, maar dan daar, achter die deur, begrepen?”
„Ja, meneer!” antwoordden de twee kemphanen tegelijk.
„En nou opgemarcheerd jullie, mars!”
De bende stoof uit elkaar.
Als gezworen kameraden gingen Jaap, Jan en Pim met hun drieën naar huis. Zij voelden zich na deze morgen als helden. Had de klas niet aan hen de mooie cijfers voor de proef bij de Ouwe te danken?
Een honderd meter achter hen aan, op zijn eentje, hinkte Rob met zijn kapotte knie. Een open knie, een gat in zijn broek, een bemodderd pak en zo goed als zeker onvoldoende voor zijn meetkundeproef, het was geen vrolijke morgen voor Rob ge weest. Hij moest zich even op z’n tanden bijten. Maar toen hij Carl Heine met zijn rood behuilde ogen op de stoep van zijn huis zag staan, begon hij opeens te fluiten van: „Kom, laat de boel maar waaien!”
Nee, ze zouden aan hem tenminste niks zien!
Jan, Jaap en Pim keken om.
Nog harder floot Rob: „Kom, laat de boel maar waaien!”
„Hoor hèm!” zei Jaap schamper. „Hij zal wel anders fluiten, als wij Zaterdag onze proeven terugkrijgen!” En toen tot Pim: „Dat hebben wij ’m toch maar fijn geleverd, hè Pim?”
„En of!” zei Pim, doch gerust was hij maar half. Het was hem alles veel te mooi gegaan.
Alle jongens ’n even hoog cijfer en Carl Heine misschien onvol doende... als dat bij de Ouwe maar geen argwaan opwekte! En met angst bedacht Pim zich, dat hij zijn zakdoek, gemerkt met W.T., nog altijd niet terug had.